De eerste eend

Over een paar dagen fiets ik duizend kilometer achter een badeend aan. Dat is geen zin die ik twintig jaar geleden had zien aankomen.
Twintig jaar geleden zat ik in een hotelkamer in Helsinki. Ik was er voor werk, en werk was er veel. Te veel projecten, te veel mensen, te veel gedachten die allemaal vonden dat ze voorrang hadden. Je kent het soort avond: je bent te moe om iets te doen en te vol om niets te doen.
Op de rand van het bad stond een geel plastic badeendje.
Hotels leggen weleens iets neer. Een chocolaatje op je kussen, een kaartje over handdoeken en het milieu. Dit hotel had blijkbaar besloten dat wat ik nodig had een badeend was.
Ik liet het bad vollopen, zette haar op het water en keek.
Ze deed niets. Dat is het hele verhaal, eigenlijk. Ze probeerde nergens te komen. Ze werkte niet aan een betere versie van zichzelf. Ze had geen mening over de dag van morgen. Ze dreef, en blijkbaar was dat genoeg.
En ergens tussen de stoom en de vermoeidheid kwam er een gedachte die ik niet had besteld: zij kan iets wat jij verleerd bent.
Ik heb haar meegenomen. Dat mag vast niet, maar de verjaringstermijn is inmiddels wel verstreken. En daarna begon het rare: ik kwam overal eenden tegen. Eenden die uit een containerschip vielen en jarenlang over de oceaan dreven. Eenden op de bureaus van programmeurs, die er hun vastgelopen code aan uitleggen. Een eend uit een oud verhaal, die de winter niet probeerde te verslaan maar gewoon bleef zingen.
Het duurde twintig jaar voordat ik doorhad dat al die eenden hetzelfde zeiden. Toen werd het een boek.
Dat boek verschijnt eind deze maand. En het eerste hoofdstuk begint precies waar deze blog eindigt: op die badrand in Helsinki. Je kunt het gratis lezen - dan weet je waar die eend op mijn voorvork straks vandaan komt.