← terug naar ontdek
Essay·Rust·6 min

Shingebis en de winter

Shingebis en de winter

Bijna niemand houdt van de winter.

Niet de winter van sneeuw en warme chocolademelk. De andere winter. De teleurstelling. De afwijzing. De ziekte. De angst. De periode waarin het tegenzit en je niet weet hoe lang het nog duurt.

We doen er alles aan om die winter te vermijden. We plannen eromheen. We dekken ons in. En als hij dan toch komt, vechten we ertegen, of we duiken weg tot het over is.

Maar er is een oud verhaal dat iets anders laat zien. Het komt van de Ojibwe, een volk uit Noord-Amerika. Het gaat over een eend. Shingebis.

Het verhaal

Alle vogels vluchten voor de winter. Ze trekken naar het zuiden, weg van de kou, weg van Kabibonokka, de geest van de noordenwind.

Op één na.

Shingebis blijft. Niet omdat hij sterk is. Niet omdat hij de kou niet voelt. Maar omdat hij genoeg vis heeft, een vuur, en geen reden om te vluchten.

Kabibonokka wordt woedend. Hij stuurt sneeuw. Hij stuurt ijs. Hij blaast de kou door elke kier. En Shingebis? Die gooit een blok hout op het vuur, en zingt.

Uiteindelijk komt de noordenwind zelf naar binnen om hem te verjagen. Ze worstelen, de hele nacht. En tegen de ochtend is het Kabibonokka die zich terugtrekt. Niet verslagen door kracht. Maar door iemand die niet wegliep.

Wat de winter laat zien

Lang dacht ik dat dit een verhaal was over doorzettingsvermogen. Over sterk zijn. Over volhouden tot de storm voorbij is.

Maar dat is het niet, denk ik.

Het gaat niet over de winter verslaan. Het gaat over wat de winter je laat zien.

Want kijk naar wat Shingebis doet. Hij analyseert de storm niet. Hij probeert hem niet weg te denken. Hij vraagt zich niet af waarom uitgerekend hij hier zit. Hij kijkt de winter aan, en blijft.

En in dat blijven ontdekt hij iets. Niet over de winter. Over zichzelf. Dat hij genoeg heeft. Dat hij kan blijven. Dat de kou hem niet bezit.

Mijn eigen winter

Een paar jaar geleden viel mijn gehoor weg. Plotseling, aan één kant. Het ene moment was er geluid, het andere moment een doffe stilte en een hoge piep die niet meer wegging.

Mijn hoofd ging meteen aan het werk. Waarom ik? Wat heb ik verkeerd gedaan? Wat als het nooit meer overgaat? Ik zocht naar oorzaken, naar schuld, naar een uitweg. Ik vocht tegen de stilte.

En het maakte alles erger. Niet het gehoorverlies zelf. De verhalen eromheen.

Want dat is wat ik inmiddels probeer te zien als er weerstand opkomt. Niet meteen oplossen. Niet analyseren. Niet wegduwen. Maar kijken. Waar zit de weerstand precies? En dan die ene vraag die in Duck It steeds terugkomt.

Van welk feit probeer ik iets te vinden?

Het feit is klein. Het verhaal is groot.

Dat is bijna altijd wat ik ontdek als ik die vraag stel. Het feit is klein. Het verhaal dat ik eromheen bouw is enorm.

Het feit is: ik ben niet geselecteerd.
Het verhaal wordt: ik ben niet goed genoeg.

Het feit is: mijn gehoor viel weg.
Het verhaal wordt: waarom gebeurt dit mij, en wat als alles nu anders wordt.

Het feit is: ik voel angst.
Het verhaal wordt: er klopt iets niet, er is gevaar, ik moet iets doen.

Het feit is steeds gewoon wat er is. De rest komt erbij. En precies in die ruimte tussen het feit en het verhaal zit de winter. En zit ook wat hij me probeert te laten zien.

Niet erover. Erdoorheen.

Shingebis vluchtte niet. Maar hij vocht ook niet op de manier die wij gewend zijn. Hij verzette zich niet tegen het bestaan van de winter. Hij maakte vuur. Hij zong. Hij bleef aanwezig bij wat er was.

Dat is iets anders dan positief denken. Het is geen "zie het van de zonnige kant". Het is geen winter wegpoetsen met een glimlach.

Het is de winter aankijken, en je afvragen wat hij je komt vertellen.

Mandela, na zevenentwintig jaar gevangenschap, zei het zo: ik verlies nooit, ik win of ik leer. De Stoïcijnen zeiden het al eeuwen eerder: de hindernis is de weg. Niet omheen. Erdoorheen.

En Duck It zegt eigenlijk hetzelfde, met andere woorden. Als de winter komt, is de eerste beweging niet vechten en niet vluchten. De eerste beweging is zien. Oh. Ik zit in een verhaal. En dan: wat is hier eigenlijk het feit?

Niet "heb ik weer".

Maar: ah. Daar zit nog iets. Iets wat ik blijkbaar nog te leren had.

De vraag

Dus misschien is de vraag, als het tegenzit, niet de vraag die we meestal stellen.

Niet: waarom overkomt mij dit?

Maar: wat probeert deze winter mij te laten zien?

Het verandert niet meteen wat er gebeurt. Mijn gehoor kwam niet terug van die vraag. Maar het veranderde wel wat ik ermee deed. En soms is dat het enige wat je in handen hebt.

De winter komt toch wel.

De vraag is alleen of je wegrent, of dat je een vuur maakt en blijft.

dit raakt aan een ander verhaalDe crisis als poort →

Geen download. Geen haast.

Wil je af en toe een notitie uit het water? Schrijf je in voor de brief. Eens per maand, een gedachte, geen lawaai.